Wat is brandschilderen?
 
Zoals hieronder duidelijk wordt heeft de populariteit van brandschilderen door de eeuwen heen een op- en neergaande lijn vertoond. Zo was men in de Middeleeuwen niet in staat grote ramen voor bijvoorbeeld kerken uit één glasplaat te maken. Daarom werden zoveel kleinere glasplaatjes als nodig in lood gevat, zodat één groot raam ontstond. Ter verfraaiing werden deze kleinere glasplaten eerst nog beschilderd door middel van de zogenaamde brandschildertechniek. Meestal ging het, zoals gezegd, om kerken en de afbeelding was dan ook religieus van aard, maar ook werd vaak in de afbeeldingen commentaar op de toenmalige samenleving gegeven. In de Renaissance werden niet alleen religieuze afbeeldingen, maar ook schilderingen van het familieleven en plaatselijke gebeurtenissen populair. Na afloop van de Renaissance, in de Reformatie en de Barok, speelde het brandschilderen geen rol van betekenis meer in de architectuur. Dit veranderde in de negentiende eeuw toen de Neogotiek en de Romantische stijl in de belangstelling kwamen te staan. Er volgde een nieuwe opleving van gebrandschilderd glas, waarbij genoemde stijlen werden gevolgd. In de twintigste eeuw tot heden worden de stijlen meer bepaald door individuele glaskunstenaars. Wat in de huidige tijd van belang is voor het behoud van oud gebrandschilderd glas en glas-in-lood, is dat we minder geneigd zijn oude kunstwerken te vernietigen als er bijvoorbeeld raampjes gebroken zijn. Bij de restauratie wordt ook zoveel mogelijk gebruik gemaakt van oud glas en, indien mogelijk, wordt zelfs het lood hergebruikt.
 
 
Hoe werkt het?
 
Bij brandschilderen wordt gewerkt met metaaloxides, die op betrekkelijk lage temperatuur in het glas gebrand worden, waardoor de fraaiste kleuren ontstaan. Eerst worden met een fijn penseel lijnen aangebracht, de contouren, met zogenaamde contourverf. Dit is een dekkende grisaille verf. Deze lijnen worden in de oven ingebrand in het glas. Vervolgens worden de schaduwpartijen aangebracht met grisailleverf. Hiertoe wordt het hele oppervlak bedekt met een dun laagje verf. Op de plekken waar geen schaduw moet komen, wordt de verf na droging voorzichtig verwijderd. Na dit proces wordt de verf wederom in de oven in het glas ingebrand. De laatste fase van het brandschilderproces is het inkleuren van de vlakken met emailleverf, hetzij dekkend of transparant. Dit gebeurt op dezelfde manier als het aanbrengen van de grisailleverf. De verschillende kleuren kunnen verschillende inbrandtemperaturen en Ėtijden hebben. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat twee verschillende kleuren tijdens aparte stookgangen ingebrand moeten worden. Het kan dan ook zijn dat het werkstuk vele malen in de oven gebrand moet worden. Deze stookgangen, de complexiteit en de arbeidsintensiviteit maken van gebrandschilderde objecten geen goedkope objecten. Ze zijn echter wel volslagen uniek en kunnen door de eeuwen heen voortleven.